Huis ter Horst

Boekbespreking Loenen en Zilven

Corrie C. De Kool-Verhoog, Loenen en Zilven. Sporen in een rijk verleden (Loenen: eigen uitgave, 2024), 243 blz., ISBN 978 94 6491 593 8.

Ons enthousiast verenigingslid Corrie De Kool uit Loenen heeft met haar jongste publicatie over de Veluwse buurtschappen – zij spreekt consequent van ‘buurschappen’, hetgeen eveneens mogelijk is – Loenen en Zilven een prettig leesbaar boekwerk afgeleverd dat door Coco Bookmedia modern is vormgegeven en waarbij de afbeeldingen en vooral ook de vele kaartjes zeer goed zijn gereproduceerd. [1] Op de achterflap wordt dit boek aangeprezen als ‘uniek’, respectievelijk ‘met een unieke status’. Dat schept verwachtingen.

Loenen en Zilven bestaat uit zes hoofdstukken en valt mijns inziens in twee delen uiteen. Het eerste deel (de hoofdstukken 1-3) gaat over het ontstaan, de oudere sporen in de periode 1000-1543 en de groei van de beide buurtschappen in de periode na 1543 tot ca. 1850; het tweede deel (de hoofdstukken 4-6) betreft een drietal jongere ontginningsgebieden, te weten (De) Veldhuizen, respectievelijk Het Slath en Het Silvensche Veen, waarna een samenvatting volgt waarin de auteur de geschiedenis van Loenen en Zilven ‘In vogelvlucht’ van drie pagina’s weergeeft. Tot slot volgt een bijlage met de, in de mairie Loenen in 1812 aangenomen geslachtsnamen; het notenapparaat (waarbij de eindnoten steeds zijn doorgenummerd), en tot slot enige leessuggesties (‘Voor wie verder wil lezen’). Helaas ontbreken daarna registers. Vooral een register op persoonsnamen wordt gemist.

            Opmerkelijk vind ik, dat het Dankwoord niet in de Inleiding, maar op p. 19 in de Leeswijzer is geplaatst. Opmerkelijk is ook de door de auteur gehanteerde periodisering (p. 24). Het onderscheid Vroege (ca. 450-1050) en Late (ca. 1050-1500) Middeleeuwen wordt door haar weliswaar gemaakt, maar het gebruikelijke, extra onderscheid in Hoge (ca. 1000-1250) en Late Middeleeuwen (ca. 1250-1500) niet. Vervolgens behelst de Nieuwe Tijd in dit boek àlles na 1500.

            Het ontstaan van Loenen en Zilven hangt ten zeerste met de Veluwse ijzerproductie samen. Dat toont de recente ontgraving aan de Dalenk in Zilven wel aan. (Veel) later werd op de Veluwe de papierindustrie een belangrijke tak van de economie, maar daaraan besteedt de auteur in dit boek weloverwogen geen aandacht (p. 12). Schriftelijk, en in die zin historisch, begint de geschiedenis van Loenen en Zilven met de schenkingsoorkonde van 23 maart 838 van ‘ene graaf Rodgard’ (p. 38). Velen zien in deze graaf Rodgar of Rutger – de auteur schrijft consequent ‘Rodgard’ – een graaf van Hamaland, aangezien de oorkonde is uitgevaardigd in Duiven en in deze oorkonde tevens – voor het eerst – sprake is van in pago Leomerike, dit is De Liemers, de Oost-Gelderse regio voorbij Arnhem waarin Duiven was en is gelegen. (In deze regio ligt bijvoorbeeld ook Zevenaar, dat in de oorkonde wellicht mag worden gelezen in de daarin vermelde plaatsnaam Fumarhara, dat alsdan mogelijk een verschrijving is.) Daarmee zitten wij dus, althans in de eerste helft der negende eeuw, in Zuidelijk Hamaland. Maar of de oorkonder werkelijk graaf Rutger ‘van Hamaland’ is geweest, blijft vooralsnog onzeker.

Afb.1 bespreking Loenen en Zilven
Afb.2

De schenkingsoorkonde van 838, met daarin de oudste schriftelijke vermelding van Loenen en Zilven. Het Utrechts Archief, 218-1 Bisschoppen van Utrecht, inv.nr. 1, Liber donationum imperialium, fol. XII v. en XIII r. (afschrift 12e-13e eeuw). CC BY 4.0.

            De schenkingsoorkonde van 838 is voor de gelegenheid door Sam Eigenhuis en de auteur vertaald (p. 235, noot 24). Als vanzelfsprekend is deze oorkonde wel vaker vertaald. Het ware verstandig geweest indien de auteur, bijvoorbeeld, de grondige analyse van dr. J.B.Th. Wolters had geraadpleegd, zodat niet alleen een enkele plaatsnaam méér kon worden ontsloten (Herodna = Heerde, op de Veluwe zo’n 35 km ten noorden van Loenen gelegen), maar ook een merkwaardige vertaling (een vertaalfout?) kon zijn voorkomen. [2] Inderdaad worden in de oorkonde van 838 menigmaal mancipiis, hofhorigen, genoemd (bewoners dus van mansi, hofhorige hoeven), doch driemaal worden deze horigen hier vertaald als ‘vrije horigen’. Ik heb mijn hoofd erover gebroken waar dit bijvoeglijk voornaamwoord ‘vrij’ toch vandaan komt. Het staat zo niet in de oorkondetekst.

            Dit brengt mij wel op een punt van aandacht. Vooral in de beschrijving van de vroegste geschiedenis van Loenen en Zilven slaat de auteur qua rechtshistorische terminologie de plank zo nu en dan mis. Het beste voorbeeld is meteen de betekenis van de zojuist genoemde mancipiis, die de auteur duidt als ‘vrije horigen’. Deze term valt vaker (p. 40, 49, 65 en 68), maar is misleidend, want een contradictio in terminis. Wat horigen kenmerkte, was juist hun onvrijheid: zij waren gebonden aan de grond van hun heer. De auteur doelt blijkbaar, zo wordt gaandeweg duidelijk, op die horigen die zelf géén mansus of hoeve in gebruik hadden en bewoonden; die aldus ‘vrij van een hoeve’ waren. Kortom (in mijn woorden): van de hofgrond losstaande, aldus ‘losse’ en in die zin ‘vrije’, horigen. Dit soort horigen worden normaliter – ook in de contemporaine bronnen – ‘lijfeigenen’ of ‘eigenhorigen’, en op de Veluwe ook wel ‘volschuldigen’, genoemd. [3] Op p. 68 maakt de auteur het onderscheid tussen ‘onvrije horigen’ (lees: hofhorigen), ‘halfvrije horigen’ of keurmedigen, en ‘vrije horigen’ (lees: eigenhorigen).

            Zo gaat het qua rechtshistorische terminologie vaker mis. De auteur definieert de holtrichter als de persoon die belast was met het beheer van opgaand hout (p. 18). Nu zal de holtrichter, gelet op de toenmalige, gebruikelijke cumulatie van functies in een en dezelfde persoon, in de plaatselijke marke allicht beheerstaken hebben uitgeoefend, maar uiteraard was hij vooral richter, te weten de voorzitter van het holtgericht, hier in het bijzonder van de Marke van Loenerbosch.

De morgen beschouwt de auteur als een ‘variabele oppervlaktemaat van ca. 1 hectare’ (p. 18). Dit moge op zich zo zijn, maar voor zover de morgen onder het ambt Apeldoorn, hier inclusief Loenen, de Rijnlandse morgen betrof, was deze daar steeds 0,85 ha. [4] Inderdaad betekende unmundich (p. 18) onder meer minderjarig, maar men kan, nog immer, evengoed ‘onmondig’ zeggen, hetgeen de auteur trouwens zelf ook doet (bijvoorbeeld op p. 76). Dat in het boek Ter Horst vóór 1907 met ‘Huis Ter Horst’, maar ná 1907 met ‘Kasteel Ter Horst’ wordt weergegeven (p. 18), acht ik arbitrair te zijn: ook na 1907 was dit kasteel een huis in de zin van een adellijk huis (een edelmanshuis of havezate).

Huis ter Horst
Huis ter Horst te Loenen, vanaf de 16e eeuw het stamhuis van de familie Hackfort. Foto Peter van der Wielen (2012), Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 NL.

            De auteur haalt horigen, tijnslieden en pachters door elkaar; allen noemt zij eenvoudigweg ‘pachters’. (Nu eens is in het boek sprake van ‘cijns’, dan weer van ‘tyns’; ik spreek hier consequent van ‘tijns’). Dit is evident, wanneer zij over de centrale hof (curtis) van de graven en hertogen van Gelre in Loenen spreekt, die zeer waarschijnlijk met De Smittenberg aldaar mag worden vereenzelvigd (p. 29 en 239, noot 183). De auteur spreekt dan niet van horigen of, nog adequater, van hofhorigen, maar van pachters. In vergelijkbare zin spreekt zij verwarrend van ‘de pachters van zijn [Karel de Grote’s; SR] hofgoederen’ (p. 49). De jaarlijkse tijns die graaf Rutger vanaf 838 diende te betalen, beschouwt de auteur als een recognitietijns (een hoofdtijns), terwijl dit mijns inziens veeleer een grondtijns zal zijn geweest (p. 39, in samenhang met 235, noot 27).

Tijnslieden zijn bij de auteur pachters (p. 61). Omdat de mensen na verloop van tijd ‘vrijer en mondiger werden, moest het oude hofstelsel wel gaan knellen.’ (p. 69). Persoonlijk denk ik, dat in vele regio’s de economische motieven van de heren, meer nog dan gevoelens van onvrijheid of reëel ervaren ‘knechtschap’ van de horige bevolking, het hofstelsel de nekslag hebben gegeven. Het was voor de heren profijtelijker om naar een systeem van pacht over te stappen: zij werden uiteindelijk liever pachtheren dan dat zij hofheren bleven. De lasten voor de hofhorige boeren stonden immers naar hofrecht voor eeuwig vast; de pachtsommen die de pachtboeren jaarlijks moesten ophoesten, konden na ommekomst van iedere pachttermijn (bijvoorbeeld zes of twaalf jaren) door de pachtheren worden verhoogd en op die manier door hen aan de marktontwikkelingen worden aangepast. In werkelijkheid zal het een samenspel van het een met het ander zijn geweest: hand in hand hebben op den duur de zucht naar meer vrijheid van de horige bevolking en de agro-economische ontwikkeling het oorspronkelijke hofstelsel aangetast, zodanig dat het op de meeste plaatsen (geheel) verdween.

            Opmerkelijk vond ik (maar dit klopt dus wel!), dat Clais de monnick, een horige zoon, anno 1457 de leeneed aflegde (p. 76). Dit mocht Clais doen, omdat sinds 1419 de hofhorige goederen hier in keurmedige goederen waren omgezet waarop nota bene het Zutphense leenrecht van overeenkomstige toepassing was verklaard (zie hierna). Clais legde aldus de leeneed af, omdat niet hij, maar zijn moeder Meynten met het betreffende leengoed (het goed Ten Campe in Loenen) werd beleend, en: ‘Als vrouw was ze onmondig en mocht ze niet zelf de leeneed afleggen, dat deed haar horige zoon Clais de monnick voor haar, in het bijzijn van twee huisgenoten als getuigen.’ (ibidem). Voor het oudste en belangrijkste goed in Zilven, Willickenhuys (ook Willinckhuys, later De Pas, nu Ruwenoord), werd jaarlijks een tijns betaald, maar het was tevens een keurmedig goed (dat kon blijkbaar samengaan), waarvoor bovendien, zoals in 1617, een leeneed diende te worden afgelegd, teneinde ‘eigenaar van het keurmedige goed’ te worden (p. 81). Het is inderdaad zo, dat in de Nieuwe Tijd de leenman dikwijls reeds als de eigenaar van ‘zijn’ leengoed werd gezien. In contemporaine bronnen wordt de leenman vaak gewoonweg ‘eigenaar’ genoemd. Met andere woorden: ook destijds al werd de terminologie niet altijd zuiver gehanteerd. Dat zal dan te maken hebben gehad met de toentertijd reeds bestaan hebbende discrepantie tussen formele en materiële continuïteit van begrippen. Het hofstelsel was toen op de Veluwe inmiddels al grotendeels geërodeerd.

            Over het goed Ten Veen (later (De) Modderkolk) in Zilven zegt de auteur: ‘Haar vader (de vader van de moeder van Claes Hummen († 1553), de bewoner van Ten Veen; SR) was een ministeriaal, iemand die horig was geweest, maar een belangrijke functie had gekregen bij zijn heer.’ (p. 89). Dat Claes’ grootvader maternel een horige is geweest, wil ik graag geloven; dat hij een belangrijke functie bij zijn heer bekleedde, betwijfel ik, althans zonder verdere bewijsvoering op grond van overgelegde bronnen. Claes’ grootvader was namelijk een kamerling, maar hier wilde dat mijns inziens niet zeggen, dat hij een ‘kamerheer’ was, een persoonlijke bediende aan het hof van de Gelderse landsheer of een andere vorst, hetgeen de bekendste betekenis van dit woord is. ‘Kamerling’ was namelijk, in het bijzonder in het Overijsselse gewest Twente, maar óók op de Veluwe, tevens een synoniem van ‘keurmedige’, dat wilde zeggen: een (horige) bewoner van een keurmedig goed. [5] In het Overijsselse Giethoorn waren de zogenoemde Sint-Maartenslieden ministerialen (dienstlieden), maar zij waren van stiel boeren, derhalve géén ambtmannen of soortgelijke functionarissen. Zij waren, kortom, boerenministerialen (in tegenstelling tot de riddermatige ministerialen die tot de lage adel gingen behoren, respectievelijk behoorden; die lokaal dikwijls functies als richter en rentmeester of bijvoorbeeld burggraaf bekleedden, en die na verloop van tijd heerlijkheden en andere aanzienlijke leengoederen in bezit kregen). [6]

De auteur noemt de gruter of gruyter ‘een handelaar in gruyt’ (p. 236, noot 54; dit lijkt mij correct te zijn; SR), terwijl zij fermentarius (dit is Latijn voor ‘gruiter’) echter vertaalt met ‘brouwer’ (p. 236-237, noot 78, ald. 237). Voor ‘brouwer’ kende het middeleeuwse Latijn evenwel de woorden braciator (vgl. het Franse brasseur) en cerevisarius (vgl. het Spaanse cerveza). Gelukkig doet zich in het boek dergelijke terminologische verwarring alléén voor, wanneer de auteur de middeleeuwse geschiedenis van Loenen en Zilven beschrijft. Achteraf had misschien beter een mediëvist of een rechtshistoricus met haar kunnen meekijken.

Na deze detailkritiek richt ik mij nu weer op de wat grotere lijnen in het boek. Voor de vroegste geschiedenis van Loenen en Zilven in hoofdstuk 1 is behalve de voormelde schenkingsoorkonde van 838 de zogeheten Prümer Urbar uit 893 van belang. Deze Urbar of goederenlijst is in afschrift overgeleverd (p. 47). Uit dit afschrift van oud-abt Caesarius van Milendonk uit 1222 blijkt, dat het goederenbezit van de benedictijner Sint-Salvatorabdij in Prüm gigantisch was. Deze in de Eifel gelegen Rijksabdij bezat een Streubesitz van in totaal maar liefst 118 hoven (curtes), waarvan zes hoven in het huidige Nederland waren gelegen, te weten die in Arnhem, Voorst (bij Twello), Wamel, Dreumel, Teisterbant en Oldenzaal. In de Prümer Urbar volgt na de post met de inkomsten uit de hof te Voorst, doch onmiddellijk vóór de post met de inkomsten uit de hof te Emmerik (bij ’s-Heerenberg over de Duitse grens), de opgave der Familia s[anc]ti Saluatoris [lees: de ‘echte’, oftewel de rechtskring van de hofhorigen van Sint-Salvator; SR] q[ue] est in Saxonia (p. 48-49). Met dit Saxonia wordt hier, zo betoogt de auteur, het gebied met daarin specifiek Loenen en Zilven bedoeld, een benaming die in het plaatselijke toponiem Zegenoord voortleeft (voorheen ‘Sekenoort’, oftewel ‘Saxenoord’, aan de Seexschen wech aldaar (1618)). Dit Zegenoord is thans een camping in Zilven (p. 51).

Zilven heette in de Middeleeuwen, en ook nog twee eeuwen daarna, ‘Silvolden’. Vanzelfsprekend dient dit Silvolden te worden onderscheiden van het Achterhoekse dorp Silvolde dat destijds in de hoge heerlijkheid (de latere gemeente) Wisch was gelegen en sinds 2005 een dorp in de fusiegemeente Oude IJsselstreek is. Onder Zilven lagen de Silvoldsche Enk (p. 84), de Silvoldsche brink (p. 87 en 89), de Oude en de Nieuwe Silvolse beek (p. 100 en 219) en de Silvoldse korenmolen (p. 100). Dat is dus allemaal op de Veluwe en niet in de Gelderse Achterhoek. Vanaf ca. 1750 raakte ‘Silvolden’ afgesleten tot ‘Silven’, oftewel Zilven (p. 105). De oorspronkelijke plaatsnaam Silvolden sleet in het spraakgebruik met andere woorden flink af, in tegenstelling tot zijn Achterhoekse equivalent Silvolde, dat in de streektaal nog steeds ‘Sillevold’ wordt genoemd en dat in het spraakgebruik blijkbaar geen (althans nauwelijks) afslijting heeft ondergaan. ‘Silvolde(n)’ betekende mogelijk zoiets als seli (sali) in het wold, oftewel ‘zaal (lees: huis) in het woud’, eventueel: ‘in het begroeide broekland’. [7] Het is dan natuurlijk speculeren wélk ‘woudhuis’ (als eerste) in Zilven is ontstaan en aan deze buurtschap zijn naam heeft gegeven. (Was dit misschien het (latere) Willinckhuys?; SR). [8]

            Zilven is een eigen marke geweest, oorspronkelijk bestaan hebbende uit zeven erven met een eigen holtrichter. Samen met de Marke van Loenen (bestaan hebbende uit acht erven met eveneens een eigen holtrichter), vormde de Marke van Zilven de overkoepelende Marke van Loenerbosch met in totaal aldus vijftien ‘houtrechten’ en een erfholtrichter: de rooms-katholieke, adellijke familie Hacfort tot ter Horst (p. 177). Dergelijke ‘houtrechten’ (p. 83 en 91) komen wij in marken elders in Oost-Nederland tegen als ‘waren’ of ‘waardelen’, oftewel: onverdeelde aandelen in de marke. De familie Hacfort – de auteur spelt de naam meestal als ‘Hackfort’ – wordt in Loenen, en in het bijzonder in Zilven, voor het eerst in 1522 vermeld. Sindsdien speelde zij daar, vanuit haar huis Ter Horst, een belangrijke rol. Deze familie was afkomstig uit het Arnhemse stadspatriciaat (p. 91). Hierna kom ik op deze familie terug.

            In de hoofdstukken 2 (‘Sporen’) en 3 (‘Groei’) begint de auteur steeds met een uiteenzetting van de ‘grote’ geschiedenis en de Gelderse landsheerlijke, politieke ontwikkelingen (de ‘historische achtergrond’, p. 53 e.v. en 77 e.v.). Daarna zoomt zij in op de plaatselijke situatie in de Marke van Loenerbosch, dus op de buurtschappen Loenen en Zilven. Sporen met betrekking tot Loenen en Zilven trof de auteur in de financiële administratie van de graven en hertogen van Gelre aan, in het bijzonder in de Gelderse jaarrekeningen, zoals die over de boekjaren 1333/34 en 1379/80 (p. 61). Andere sporen werden gevonden in de hertogelijke tijnsboeken uit de jaren 1449 e.v. en in enige andere bronnen, zoals het Schatbouk van Veluwen uit 1493. Deze bronnen geven informatie over de ontginning van de woeste gronden op de Veluwe. Onder Loenen en Zilven treffen wij in 1449 negen tijnsbetalers aan en in 1493 zestien bouwlieden, van wie zeven armlastig (pauper) waren. Deze zeven boeren hoefden toen geen schatting (belasting) te betalen (p. 65).

            Naast de voormelde Gelderse bronnen hebben de leenboeken van Prüm diverse sporen achtergelaten (p. 67). Deze sporen hebben betrekking op de hoven van Prüm te Arnhem en te Voorst, en daarmee ook op de bewoners van de Marke van Loenerbosch. Op 20 april 1281 werd tussen de Sint-Salvatorabdij en de stadsbewoners van Arnhem die belangen in de Marke van Loenerbosch hadden, een belangrijke overeenkomst gesloten. Sindsdien werden de Arnhemmers die zich hofgronden van de abdij hadden toegeëigend (verduisterd) of gekocht, met deze grond beleend. Zij werden nu officieel leenmannen van de abdij. Sindsdien werden ook alle hofhorigen in de bedoelde hof te Arnhem, onder wie de bewoners van de hofgoederen van de abdij in Loenen en Zilven, keurmedigen en wastijnzigen (p. 70-71). Zowel de Arnhemse stadsburgers als de hofhorigen gingen er dus op vooruit, ten koste van de abdij-op-afstand.

De leenboeken van Prüm lieten ook met betrekking tot de hof te Voorst sporen achter. Tot deze abdijhof behoorden in totaal 39 hoeven (kloostergoederen), waarvan drie in Loenen en Zilven waren gelegen (Willinckhuys, Swavinck en Ten Campe). Sinds Sint-Maartensdag (11 november) 1419 waren de hofhorigen van de hof te Voorst eveneens keurmedigen geworden; op de door hen bewoonde goederen werd nu het Zutphense leenrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor deze horige boeren vond dus eveneens een zekere Standeserhebung plaats, zogezegd, zij het 138 jaar later dan bij de hofhorigen in de hof te Arnhem het geval was geweest (1281). De eerste, overgeleverde leenbrief met betrekking tot het goed Swavinck dateert van 11 november 1439 (p. 74); de eerste, overgeleverde leenbrief met betrekking tot het goed Ten Campe is uit 1456 (p. 76).

            In de Nieuwe Tijd – dit is voor Gelre de periode na het verlies der eigen zelfstandigheid en soevereiniteit aan Karel V in 1543 – kregen de Loenense en Zilvense boeren nieuwe heren. Vanwege de ‘reformatie der geestelijke goederen’ raakte de Sint-Salvatorabdij in Prüm haar hoven te Arnhem en te Voorst kwijt, eerst aan graaf Ernst Casimir van Nassau en daarna in 1615 aan de Arnhemse burgemeester Willem Huygen, wiens zoon Rutger de onderhorige goederen in de Leenkamer Klarenbeek onderbracht. Rutger Huygen werd hiermee de nieuwe leenheer (p. 78-79). [9]

Afb. 4
De Nederlands Hervormde kerk in Loenen, in 1557 gesticht als kapel. Foto Gouwenaar (2017), Wikimedia Commons, CC0 1.0.

De zes, voorheen Gelders-hertogelijke goederen, waarvan twee in Loenen en vier in Zilven, werden in 1545 als herengoederen beheerd. Later werden deze in de, in 1559 opgerichte, Gelderse Rekenkamer geadministreerd (p. 79). De geschiedenis van deze zes goederen met hun vele afscheidingen (afgesplitste, jongere ontginningsboerderijen) kan door de lezer vrij uitgebreid worden gevolgd, waarbij vele (genealogische gegevens van de) bewoners de revue passeren (p. 79-125). Mede om deze reden wordt een persoonsnamenregister gemist, zoals ik hierboven reeds opmerkte.

            Wij zien hoe de Gelderse Rekenkamer jaarlijks zogeheten herenguldens en tijnzen voor haar Loenense en Zilvense herengoederen inde (p. 107). Van de Marke van Loenerbosch – die pas in 1893 werd opgeheven (p. 229) – leren wij niet alleen de holtrichter en de wiltforsters kennen, maar ook de boswaarder en de markebeurder (p. 116), alsmede de boerrichter en de koerde of koeherder (p. 177). Tezamen met vele andere archiefsprokkels van na 1543 bevat ook het vervolg van dit hoofdstuk 3 vele gegevens die voor de lokale geschiedschrijving van Loenen en Zilven van belang zijn (p. 126-169). De kadastrale kaarten met deelplattegronden en overzichten van de meer dan vijftig goederen, boerenerven, hofsteden en plaatsjes (kortom: van de vele boerderijen in soorten en maten ter plaatse) zijn prachtig (p. 156-169). Uiteindelijk ging het in Loenen en Zilven in 1850 om zo’n zestig à zeventig woningen per buurtschap, die vaak dubbel werden bewoond (p. 227).

Het tweede deel van het boek, in het bijzonder de hoofdstukken 4 en 5, gaat over een drietal jongere ontginningsgebieden onder Loenen en Zilven. (De) Veldhuizen is een eigen buurt ten noorden van Loenen die in de zeventiende eeuw is ontstaan door ontginning van veengebied (hoofdstuk 4). In 1634 had een driemanschap uit Naarden belangstelling om van de geërfden (de markengenoten) van Loenen voor fl. 9.000, 300 morgen (ruim 250 ha.) veengrond te kopen. Dit driemanschap bestond uit de waterbouwkundige en oud-burgemeester van Naarden Marten Rutgersz. de Beer († 1648), de Naardense koopman Marten Botter en de burgemeester van Naarden Dirk Visnicht (p. 172-173). Na enige verwikkelingen werd de koop uiteindelijk in 1640 gesloten, waarna de drie verveners aan de slag konden gaan. Zij kregen het aan de stok met de katholieke erfholtrichter van de Marke van Loenerbosch, Olivier Hacfort tot ter Horst (1602-1665), de bewoner van het huis Ter Horst die zich nu enigszins in zijn positie bedreigd voelde (p. 177-178). De adellijke familie Hacfort was toen in Loenen en Zilven reeds meer dan een eeuw toonaangevend.

In de jaren 1656-1659 nam een driemanschap uit Doesburg de ontginningen in (De) Veldhuizen van de drie Naardense verveners over. Het was een consortium bestaande uit de burgemeester van Doesburg Breunis Jansen, de kapitein-luitenant in het Staatse leger Pouwel van Russel en de secretaris van Doesburg dr. Adam Huygen (1615-1682). Dr. Huygen nam de leiding. Hij is voor mij geen onbekende. [10] ‘Met hen brak een nieuwe periode aan voor de Veldhuizen.’ (p. 183). Ook dit Doesburgse driemanschap kwam, protestant als het was, in conflict met de voornoemde, katholieke erfholtrichter van de Marke van Loenerbosch, Olivier Hacfort tot ter Horst (p. 186). Op verzoek van de marke maakte de bekende Gelderse cartograaf Nicolaes van Geelkercken in 1657 een overzichtskaart van het ontginningsgebied (p. 184). De auteur geeft vervolgens een overzicht van het goederenbezit (de ontginningen) in (De) Veldhuizen, wederom met veel gegevens over de bewoners (p. 188-215). Het landgoed van de familie Huygen, Veld- en Veenhuizen (Huijgens Veenhuijss), werd, na vererving aan de familie Nies, in 1820 nota bene verkocht aan de familie Hacfort, namelijk aan Olivier G.W.J. Hacfort tot ter Horst (1768-1824), Baron de l’Empire en achterachterkleinzoon van zijn hierboven genoemde naamgenoot Olivier, de erfholtrichter (p. 199). [11]

            In het kleinere hoofdstuk 5 biedt de auteur ons een schets van de geschiedenis van twee jongere ontginningsgebieden, gelegen tussen Loenen en Zilven in: Het Slath (streektaal voor laaggelegen, drassige, moerassige grond) en Het Silvensche Veen (p. 217-226). Het Silvensche Veen komt overigens afzonderlijk op de overzichtskaart van Nicolaes Geelkercken uit 1657 voor (p. 216). Na deze schets volgt de voormelde samenvatting ‘In vogelvlucht’ (hoofdstuk 6, p. 227-229), alsmede het voormelde ‘nawerk’ (de bijlage, het notenapparaat, enzovoort).

Ik kom tot een afronding. Ons Loenense Gelre-lid Corrie De Kool heeft een fraai uitgegeven boek over Loenen en Zilven geschreven. Zij behandelt met vlotte pen de geschiedenis van deze twee Veluwse buurtschappen, respectievelijk marken, die tezamen tot het einde der negentiende eeuw de Marke van Loenerbosch vormden. De ontwikkeling en de geschiedenis van de tientallen boerderijen en hun bewoners komen ruimschoots aan bod, waardoor dit boek een aanwinst voor de lokale geschiedschrijving is. Mijn kritiek richt zich vooral op de behandeling van de middeleeuwse periode – op zich een flink part van het boek –, en dan vooral op de gehanteerde rechtshistorische terminologie. Die is her en der niet zuiver en daardoor verwarrend. Dit neemt mijn bewondering voor het eindresultaat niet weg: Loenen en Zilven. Sporen in een rijk verleden voorziet, voorwaar, in een behoefte. Vele stukjes van een interessant deel van de grote Veluwse puzzel zijn met dit boek door Corrie De Kool gelegd, waardoor deze geschiedenispuzzel weer een beetje meer is opgelost. Dat is winst.

Sebastiaan Roes


Noten
  1. Eerder verscheen van haar hand o.a. Kasteel ter Horst. Een lagchend landhuis in Loenen (Blokzijl, 2002).[]
  2. J.B.Th. Wolters, ‘De oorkonde van 23 maart 838’, Driepas. Verenigingsblad Historische Kring Duiven – Groessen – Loo 5, nr. 1 (1988) 3-14.[]
  3. Zie de diss. van E. Heringa, Tynsen op de Veluwe (Groningen – Den Haag – Batavia, 1932) 8 en 34 e.v.[]
  4. [1] J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten, Publicaties van het P.J. Meertens Instituut 3 (Amsterdam 1982), te raadplegen via: www.meertens.knaw.nl/mgw.[]
  5. Heringa, Tynsen op de Veluwe, 9-10 en, vooral, de diss. van W.H.J. Massink, Hoorige rechten in Twenthe (Leiden, 1927) 18-26.[]
  6. Zie bijv.: E.D. Eijken, bezorgd door P. Brood en Js. Mooijweer, Compendium van het Overijssels recht vóór 1811, Werken van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 45 / Publicaties van de IJsselacademie 199 (z.p., 2007) 542 (‘Keurmedigen alias kamerlingen’) en 542-544 (‘Sint Maartensmannen te Giethoorn’).[]
  7. [1] H.L.J. Kolks en B.J. Dorrestijn, Met het oog op Silvolde. 800 jaar Silvolde in woord en beeld (z.p., 1989²) I (Kolks), 7.[]
  8. Loenen – in de schenkingsoorkonde van 838: Luona – is denkelijk een oude waternaam geweest. Zie: R.E. Künzel e.a., Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200, Publicaties van het P.J. Meertens Instituut 8 (Amsterdam, 1988) 231. Er waren maar liefst drie ‘Loenens’ (op de Veluwe, in Utrecht en ten zuiden van Valburg); al deze drie toponiemen worden door prof. dr. D.P. Blok verklaard als ‘wrsch. een oude waternaam’.[]
  9. Deze formulering ontleen ik aan de titel van de diss. van de bekende Arnhemse archivaris mej. A.J. Maris (1900-1996), De reformatie der geestelijke en kerkelijke goederen in Gelderland, in het bijzonder in het Kwartier van Nijmegen (’s-Gravenhage, 1939).[]
  10. J.S.L.A.W.B. Roes, ‘Ontdekt, onthuld en ontsloten: de Aenteijkeningen van Adam Huygen op ende over de Reformatie der Landrechten, Gebruijcken ende Gewoonten der Graeffschap Zutphen (ca. 1670)’, in: M. Gubbels en C.J.H. Jansen (red.), Regio. Rechtshistorische opstellen aangeboden aan dr. P.P.J.L. van Peteghem, Rechtshistorische Reeks van het Gerard Noodt Instituut 53 (Nijmegen, 2010) 199-219, ald. 212-215.[]
  11. In 1822 werd voor Olivier G.W.J. Hacfort tot ter Horst de titel van baron op allen erkend. De familie Hacfort is in 1939 uitgestorven met het overlijden van diens kleindochter Maria E.A.O.V. barones van Lamsweerde, geb. barones Hacfort tot ter Horst (1854-1939). Zie: Nederland’s Adelsboek 84 (1994) 1-13, ald. 1, 8 en 12.[]