Fred van Kan

Interview met Fred van Kan

Over de inventarisatie van het Hertogelijk Archief

Begin 2020 kwam de inventaris van het Archief van de graven en hertogen van Gelre gereed. Dit was het resultaat van vele jaren noeste arbeid door opeenvolgende archivarissen werkzaam aan het Gelders Archief en haar voorganger (het Rijksarchief Gelderland). Dr. Fred van Kan, directeur van het Gelders Archief in Arnhem, heeft de afgelopen jaren de laatste hand gelegd aan dit monsterproject.

Vanwege het bereiken van deze mijlpaal heeft de redactie van de nieuwsbrief besloten om hieraan aandacht te besteden. We laten Fred van Kan aan het woord over zijn ervaringen tijdens zijn werkzaamheden aan de inventaris van het Hertogelijk Archief.

De inventarisatie van het archief van de graven en hertogen van Gelre is een project van vele decennia geweest, waar ook veel van je voorgangers hun tanden in hebben gezet. Hoe heb je dat ervaren en wat trof je aan?

“Als heel bijzonder. Je staat als het ware op de schouders van je voorgangers. Er is sinds Van Hasselt de eerste charters beschreef en Nijhoff dit archief gebruikte voor zijn Gedenkwaardigheden zoveel gebeurd, zoveel kennis bijeengebracht… Maar nooit zijn alle brokstukken informatie tot een geheel samengesmeed. Het was Maarten van Driel die daarvoor de basis heeft gelegd. Zelf heb ik het karwei mogen afmaken en zeker tegen het einde, toen ik er enkele weken bijna dagelijks aan werkte, ‘leefde’ het Hertogelijk in mijn hoofd”!

We weten dat het Hertogelijk Archief is ‘samengesteld’ uit de verspreide archiefdelen die in de loop der tijden naar Arnhem zijn ‘teruggekeerd’. Kun je ons iets meer vertellen over de structuur van het archief?

Fred van Kan

“De structuur die is aangebracht, is een kunstmatige, omdat het archief niet als een eenheid bewaard is gebleven en ook nooit een eenheid is geweest. Archief werd gevormd in de plaatsen waar de graven en later hertogen resideerden en daar bleven bestanden dan vervolgens achter. Zo zijn delen van het archief behalve in Arnhem aangetroffen in Buren, Grave, Düsseldorf, München en Brussel.

Geleidelijk zijn deze bestanden naar Arnhem overgebracht. Hoe dat zit staat in de inleiding op de inventaris. De stukken zijn geordend per regeringsperiode; daarbinnen zijn stukken betreffende persoon en familie van de vorst vooraan geplaatst, gevolgd door bescheiden van politieke en bestuurlijke aard. Voor stukken betreffende rechten en bezittingen en betreffende het financieel beheer is daarvan afgeweken, omdat die altijd al min of meer een eenheid vormden”.

Kun je ons een beeld geven van de grootste uitdagingen bij de inventarisatie?

“Een van de grotere uitdagingen was de standaardisering van namen, literatuur, afkortingen et cetera. Omdat zoveel handen aan dit inventarisatieproject werkten, was er daarin geen eenheid. Ook een uitdaging was het omnummeren, om van tien deelinventarissen met soms heel bijzondere coderingen te komen tot een inventaris met doorlopende nummering. Dat was een kwestie van precisie en je niet laten afleiden”.

Wat zijn de belangrijkste inzichten die jij hebt gekregen tijdens je werkzaamheden over het archief?

“Dat er vooral uit de tijd van Karel van Egmond bijzonder veel bewaard is gebleven. Betaalopdrachten, bevelen tot werven van troepen, opdrachten voor bodes, je kunt het niet bedenken of je vindt er iets van terug”.

Welke bijzondere vondst of anekdote is je het meest bijgebleven?

“Heel bijzonder vond ik het verzoek van een Hongaarse barones, Michesula hertogin van Barbanië en Kania, voor een bijdrage van hertog Karel aan het losgeld voor haar zonen, die door de Turken bij de verovering van Bosnië-Herzegovina door het Ottomaanse Rijk in 1514 gevangen waren genomen.

Ook bijzonder vond ik de afschriften van stukken betreffende Friesland en de Friese vrijheid uit de periode 1289-1516, die in 1516 of 1517 zijn vertaald in het Frans in verband met de Franse bemiddeling. Deze stukken zijn te vinden via inventarisnummer 1985”.

Heeft het Gelders Archief nog plannen voor verdere digitalisering of het nader toegankelijk maken van bijvoorbeeld de rekeningen?

“Nee, die zijn er niet. We laten ons door de onderzoeker, de klant leiden via digitalisering op verzoek. Op die wijze zal, verwacht ik, dat dit archief in relatief korte tijd geheel online raadpleegbaar zal zijn. Nader toegankelijk maken laten we over aan derden. Wel wil ik alle informatie die we in huis hebben en die nog te koppelen valt aan de inventarisnummers daaraan toevoegen. Zo loopt er nog een project om de regesten op de zogeheten ‘XIV Libri’ daaraan toe te voegen. Dat project zal in de loop van 2021 klaar zijn”.

Heb je nog tips voor mensen die onderzoek willen doen in het archief? Waar moet men specifiek op letten?

Fred van Kan wijst allereerst op een aantal interessante stukken, die tot nu toe nog aan de aandacht van onderzoekers zijn ontgaan. Van Kan: “Er zit in het Pakket Karel van Egmond nog heel veel informatie verborgen. In het archief zitten bovendien interessante stukken verborgen betreffende (het Land van) Mechelen, omdat hertogin Mechteld vrouwe van Mechelen was”.

Een andere tip van Fred: “Gebruik de concordans (achteraan de inventaris) op Nijhoffs Gedenkwaardigheden. Op een enkele akte na is via die concordans elk stuk dat Nijhoff afschreef of in regestvorm beschreef, terug te vinden”.

“Naast het Hertogelijk Archief moet ook het archief van de Rekenkamer worden geraadpleegd als je de middeleeuwse periode bestudeert. Veel stukken zijn als onderdeel van het beheer daar terechtgekomen, bijvoorbeeld omdat een verpanding pas beëindigd werd in de periode na 1543. Strikt genomen kwam natuurlijk aan het hertogdom in 1543 geen einde, dat zou pas in 1795 gebeuren, al werd het bestuur onder Karel V wel anders ingericht.

En tenslotte: hoewel veel deskundigen, met grote namen, zoals Nijhoff en Martens van Sevenhoven, aan de inventarisatie hebben gewerkt, wil dat niet zeggen dat er geen fouten zijn gemaakt. Correcties zijn heel welkom. Bovendien, onderzoekers met kennis van hun eigen plaats of regio kunnen heel goed behulpzaam zijn om toponiemen thuis te brengen waar de inventarisatoren geen raad mee wisten”.

Rudolf Bosch