Na eerder Viabundus, een digitaal overzicht van laatmiddeleeuwse handelswegen, is onlangs ook het romeinse wegennet online gereconstrueerd. De website Itiner-e toont de heerbanen die ooit Gelderland doorkruisten en voerden langs inmiddels bijna vergeten knooppunten als Grinnes (Rossum), Ceuclum (Cuijk) en Carvium (Herwen). Zeer de moeite van het verkennen waard.
Uitputtend zijn deze overzichten natuurlijk nooit. Naast de grotere (handels)wegen verbond een dicht netwerk van kleinere straten, weggetjes en paden de dorpen, kerken en kastelen. Ook voerden wegen langs en door natuurlijke barrières als rivieren, moerassen en bossen. Met het ontginnen en inperken van de natuur verdwenen vooral juist deze wegen uit het landschap. Toch herinneren vele (on)zichtbare elementen nog altijd aan de oude loop en functie van deze oeroude wegen. Kris Brussen ging op zoek naar het vergeten Ketelwoud langs een bijna verdwenen weg: de Ketelstraat.

Duizend jaar geleden zwierven beren en wolven in een donker bos aan de rand van de hoeve Groesbeek. De heren van Groesbeek wisten zich door de keizer te laten belenen tot waldgraaf en bewaakten vanuit hier het achterliggende woud, dat rijk was aan hout en wild.
Vanaf de woudingang kronkelde zich een lange weg kilometers diep de heuvelachtige woestenij in, waar het pad aansloot op nog veel oudere wegen, die naar koninklijke plaatsen voerden. Zo kan het dat de zwangere keizerin Theopahnu in 980 tijdens haar reis tussen Nijmegen en Aken werd overvallen door weeën en Rooms-keizer Otto III ‘na sibi in silva, quae Ketil vocatur’ (werd geboren in het woud, dat Ketel wordt genoemd – volgens de kroniek van bisschop Thietmar). De kleine Otto zal het levenslicht zeer waarschijnlijk niet hebben gezien tussen de vochtige eiken, maar in de behaaglijke warmte van een koninklijke hoeve of jachtslot. Behalve de hoeve Groesbeek kan dat ook de hoeve Ketele zijn geweest, dat gelegen was aan de zuidelijke ingang van het Ketelwald (in het plaatsje Kessel, dat evenals de hoeve zijn naam ontleende aan het woud). Nog in 1062 vaardigde keizer Hendrik IV een oorkonde uit in zijn hof ‘in silva ketala’. De weg die beide hoeves verbond stond vanuit Groesbeek dan uiteraard ook bekend als de Ketelweg (later verbasterd tot Ketelstraat).

Op een kaart uit 1820 (van Vandermaelen) is de Ketelstraat (geel gearceerd) nog in volle glorie te zien, inclusief de kruising met de (rood gearceerde) weg naar Kessel – de nog altijd bestaande Kranenburger Strasse. Spoiler alert: van de Ketelstraat resteert tegenwoordig minder dan 10%.
Laten we bij het begin beginnen. De huidige Ketelstraat begint niet meer in Groesbeek, maar in het iets verderop gelegen dorp De Horst. Pas buiten het dorp valt op dat de weg duidelijk verhoogd is en boven het maaiveld uitsteekt.

Niet verwonderlijk omdat de weg vlak buiten het dorp een bocht maakt en via de Vortse brug het beekje de Leigraaf oversteekt en uitkomt in het laaggelegen buurtschap de Plak.
Een kaarsrechte weg leidt langs boerenerven die, net als de brug, al in veertiende eeuwse schenkingen van het klooster Graefenthal (niet geheel toevallig in Kessel gebouwd) worden genoemd.
Aan het einde doemt het Ketelwoud op – al kennen we het bos sinds lange tijd onder een andere naam.

Aan het einde van de twaalfde eeuw verlieten de Duitse keizers hun koningshoeven in het woud. De opkomende graven van Gelre en Kleef lieten al snel hun oog vallen op de natuurlijke rijkdommen en beiden wisten uiteindelijk delen van het bos in rijksleen te krijgen. Vanaf het midden van de dertiende eeuw vechten Otto van Kleef en Reinald van Gelre in verschillende oorkonden hun vetes uit over het bezit van het Rijkswoud (‘nemore imperrii’). De naam Ketelwoud verdwijnt hierna langzaam uit de bronnen en het geheugen.

Aan het einde van de vijftiende eeuw werden definitieve piketpaaltjes geslagen en werd het voormalige Ketelwoud verdeeld in een Nederrijkswoud (Gelders) en een Opperrijkswoud (Kleefs, gewoonweg Reichswald of Clevische Wald genoemd).
En de grens tussen Gelre en Kleef kon niet onopgemerkt voorbij worden gegaan. Na een paar stappen stuit een wandelaar al op de restanten van een landweer, waarbij de beuken en lagere heggen in elkaar zijn gevlochten. Is dit waar Van Berchen al over schrijft in zijn Kroniek (‘De klim- en slingerplanten maken het bos donker en ondoordringbaar’)?
Voorbij de landweer is het Ketelwoud onherkenbaar veranderd. Halverwege de negentiende eeuw werd het bos, ten behoeve van beheer en vooral exploitatie, opgedeeld in vierkante percelen met kaarsrechte wegen daartussen.


Deze worden in het Duits ‘Jagen’ en ‘Gestellen’ genoemd, waarbij de Jagen van elkaar worden gescheiden door witte genummerde stenen (vaak ten onrechte verward met grensstenen). Op het eerste oog is de Ketelstraat tussen de brede lanen nergens meer te herkennen. Wel vallen andere, meer recente, grensrelicten op: de vele, vele kilometers aan loopgraven uit de Eerste én Tweede Wereldoorlog. Tijdens Operatie Veritable trokken in februari 1945 bijna 200.000 geallieerde soldaten het Rijkswoud in.
Wie goed oplet kan zonder veel moeite dieper in het bos ook de schuttersputjes, bomkraters en opgeblazen bunkers (zie foto hiernaast) ontwaren. Ook op een Lidarkaart, een radarbeeld waarmee minieme hoogteverschillen kunnen worden aangetoond, springen de loopgraven direct in het oog – als monsterlijke rijen tandafdrukken in een zich herstellend landschap.


Wie de beelden echter nog beter bestudeert ziet dat bosbeheer en oorlog gelukkig nog niet alle sporen van de middeleeuwse wegen hebben uitgewist. Restanten van de wegen die het Ketelwoud doorkruisten zijn nog aan te wijzen, waaronder een restant van een weg die aansluit op de Ketelstraat (tussen de rode pijlen). Of dit daadwerkelijk de middeleeuwse Ketelstraat is valt nu niet te zeggen.
Daarbij mag aangenomen worden dat de Ketelstraat al eerder dan de negentiende eeuw te lijden heeft gehad onder de starre grenzen van het ‘nieuwe’ Rijkswoud.
Een vrije doortocht tussen Groesbeek en Kessel zal vanaf 1400 geen sinecure meer zijn geweest. Bovendien nam, na het einde van het zelfstandige hertogdom Gelre, de betekenis van klooster Graefental steeds verder af – tot het aan het begin van de negentiende eeuw zelfs helemaal werd verlaten. In de zestiende eeuw gold het Rijkswoud zelfs als ronduit gevaarlijk. Stropers en rondtrekkende Spaanse en Staatse troepen noopten zelfs, getuige een brief aan de burggraaf van Nijmegen, tot het oprichten van een speciaal Rijkswoudgericht. Grootschalige (illegale) houtkap had bovendien geleid tot het ontstaan van heidevelden en bouwland Ãn het bos. Ketelwoud en Ketelstraat raakten verploegd, verstoven en overwoekerd.

Maar wie goed zoekt langs (ogenschijnlijk) nieuwe wegen kan oude Gelderse plekken vinden, waar ooit een keizer werd geboren.
Bronnen:
- Gelders Archief (Beeldbank en regesten: ´Rijkswald´)
- Geoportal NRW
- Huyskens, B. ´Die Geburtsstätte des Kaisers Otto III´, in: Annalen 33 (1879) p. 50-105
- OldMaps Online
- Overige foto´s zijn door de auteur gemaakt
Kris Brussen