Willem van Berchen, Gelderse Kroniek – een voorpublicatie

De Gelderse Kroniek van Willem van Berchen is een rijke bron van verhalen over de geschiedenis van Gelre. Die verhalen hebben ons beeld van het verleden in sterke mate bepaald. Zo heeft Willem van Berchen als eerste geschreven over de Gelderse Draak, die ‘Gelre, Gelre’ schreeuwde. Ook schreef hij, vaak haast alsof hij er zelf bij was, over dramatische momenten in het verleden. Twee van die verhalen zijn in deze nieuwsbrief te lezen als voorpublicatie. Het eerste gaat over Eleonora van Engeland en Reinald II. Willem baseerde zich op een kroniek uit een Duits klooster en heeft het verhaal persoonlijker gemaakt en nadrukkelijk verbonden met de neergang van de Gelderse dynastie in de jaren na de beschreven gebeurtenis.

Het tweede verhaal gaat over de gevangenneming van hertog Arnold van Egmond door zijn zoon Adolf die gesteund werd door zijn moeder, Catharina van Kleef. Met veel oog voor details maakt Van Berchen de tragiek van de gebeurtenissen duidelijk, alsof hij ooggetuige was. In elk geval kan hij informatie hebben gekregen van ooggetuigen. Het gebeurde immers toen hij al werkte aan zijn Gelderse Kroniek.

Eleonora komt met haar zoontjes naar de Valkhofburcht – 1443

In die dagen verkeerde de edele hertogin Eleonora, naar men zegt, een tijdlang niet in gezelschap van haar man hertog Reinald, op grond van duistere informatie van een paar boosaardige raadsheren van hem, die haar ervan verdachten dat ze vanwege de diepe kleur van haar gezicht lepra had. In reactie hierop bedekte ze haar naakte lichaam met een ragfijn zijden hemd met een mantel eroverheen, nam haar beide zonen Reinald en Eduard aan beide handen mee en liet zichzelf op een zorgvuldig uitgekozen moment in het paleis in Nijmegen zien aan haar man hertog Reinald en aan de leiders van het hertogdom Gelre, die daar toen bijeengeroepen waren en zich aan tafel herstelden van de vermoeienissen van de reis. Ze liet haar mantel en hemd tot aan haar schaamstreek zakken en, terwijl iedereen vol verwondering toehoorde, richtte ze zich in tranen tot de hertog met de volgende woorden: ‘Mijn geliefde heer, ik vraag nu dat u zich verwaardigt om mij zorgvuldig te inspecteren op het gebrek dat men mij ongegrond toegedicht heeft. En om te bekijken of ik niet ben zoals andere vrouwen: zonder enige smet op mijn lichaam, omdat God me genadig is. Zie hier onze zonen springlevend voor uw ogen staan. Het zouden er bij de gratie Gods meer geweest zijn, als niet zulk wangedrag van uw kant dat zou hebben belemmerd. Misschien zal de tijd nog komen dat het volk van Gelre onze scheiding betreurt, wanneer het ziet dat uw bloedlijn uitgestorven is.’ Zo is dit, wat een tragedie, gebeurd en het is in later tijden uitgekomen. Want vanaf de geboorte van Eduard, de tweede zoon van hertog Reinald, in het jaar 1336 tot aan de geboorte van Adolf, de zoon van hertog Arnold, die plaatsvond in het jaar 1439, zijn er 103 jaar verstreken dat er geen hertogen van Gelre voortkwamen uit het edele huis Gelre. Hertog Reinald zag dus dat zijn echtgenote Eleonora er prachtig uitzag met haar elegante lichaam en dat ze zich rechtmatig zuiverde van die smet die haar gemeen was aangedaan. Hij werd vervuld door somberheid, had er spijt van haar weggestuurd te hebben en stond daar maar, duidelijk in de war, net als de overige leiders met hem. Maar hij leefde niet veel langer meer.

Arnold door zijn zoon gevangengezet – januari 1465

Hierna is hertogin Catharina […] met enkele bedienden over het ijs van de Waal en de Maas na de avondschemering naar Grave gekomen, waar hertog Arnold in zijn bed lag te slapen. Op zijn bevel werd ze snel binnengelaten: de hertog was heel blij met haar komst, sprong uit bed, greep een lange mantel en ging haar snel tegemoet. Vriendelijk leidde hij haar bij de hand naar het kasteel en het deed hem verdriet dat zij zulke koude handen had. Hij gaf een paar van zijn mensen opdracht om snel in de haard een flink vuur te gaan stoken, zodat zij zich met haar mensen kon warmen. Dat is ook gebeurd en ze zijn samen goedgehumeurd gaan slapen.

Adolf is rond het feest van Driekoningen, 6 januari, zijn moeder naar Grave gevolgd met een paar bedienden. Hij is vreugdevol ontvangen en behandeld door zijn vader de hertog, die hem omarmde vanwege de gesloten vrede en de hem dagelijks betoonde gehoorzaamheid, en die geen enkel kwaad vermoedde. Zo hebben vader en zoon samen hun tijd in zeer goede verstandhouding doorgebracht. Vier dagen na Driekoningen, op de dag van de heilige Julianus of Paulus de eerste kluizenaar, 10 januari, had de zoon het, samen met zijn vader en de andere mensen aan het hof, met name zijn neef Frederik van Egmond, goed naar zijn zin: in een bonte afwisseling deden ze spelletjes en dansten ze tot bijna middernacht. De vader verontschuldigde zich toen bij de rest en ging naar bed. Terwijl ondertussen het spel even stilgelegd was, doken er mannen op met verschillende soorten wapens, die door moeder en zoon besteld waren. Zij kwamen vanuit Nijmegen, waren stiekem de gracht naar het kasteel overgestoken, die immers bevroren was, en waren in het holst van de nacht binnengelaten. De zoon hielp hen en leidde hen naar de kamer van de hertog: zij bonsden op de deur en riepen dat hij op moest staan en naar hen moest komen. In de verwachting dat zij hem voor de lol wakker maakten om met hen te dansen, antwoordde hij liefdevol: ‘Lieve vrienden, omdat ik het lekker warm heb, kan ik nu niet dansen. Maar ik zal het een andere keer goedmaken. Laat me in Godsnaam rustig slapen!’ Ze braken dus de slaapkamerdeur open, stonden daar met getrokken zwaarden en gespannen bogen met pijlen op de pezen te schreeuwen en zeiden: ‘Vlug, geef je over of we zullen je doden!’ Toen ze de dekens van het bed getrokken hadden, vroeg hij: ‘Waar is mijn zoon, mijn dierbare Adolf?’ Hij maakte zich zorgen om hem, want hij meende dat het mensen van buiten waren, die hem probeerden gevangen te nemen. Maar Adolf kwam erbij staan en zei: ‘Heer vader, geef u over, want zo moet het gebeuren.’ Tegen hem zei de hertog: ‘Mijn dierbare zoon, wat doe je?’ en begon te huilen. Toen ze hem vastgegrepen en als een misdadiger overmeesterd hadden, brachten ze hem bijna naakt naar buiten, over de gracht, over de weg waarover die mannen die hem gevangengenomen hadden, gekomen waren, over het ijs in de Maas, naar de plek waar ruiters en voetsoldaten in grote opwinding stonden te wachten op zijn komst. Toen ze hem op een paard gezet hadden om naar Nijmegen te gaan, vroeg hij liefdevol aan zijn zoon om hem niet daarheen te brengen, maar dat hij ergens anders heen wilde. Door een verschrikkelijk koude nacht is hij naar het kasteel van Lobith gebracht. Hij droeg alleen maar een hemd en een bontmantel daarover, maar geen schoenen; op zijn hoofd had hij een slaapmuts en om zijn nek een sjaal, zoals hij in bed had gelegen.

Willem van Berchen, Gelderse Kroniek. Vertaald en toegelicht door Leo Nellissen & Louis Swinkels. Met een inleiding van Johan Oosterman. Uitgeverij Verloren Hilversum. ISBN 978 9464552140. Prijs €39,00.